Afb. 1: Het principeschema van de schakeling
De teller-oscillator-combinatie IC4 fungeert als centraal stuurelement van de schakeling. De oscillatorfrekwentie is met C20/Rl/R2 vastgelegd op ca. 76 kHz. De door IC4 geproduceerde meetspanning belandt via spanningsdeler R3/R4, multiplexer IC5 en de condensatoren C 12 ... C 19 bij de op K1 aangesloten meetelektroden.De elektroden worden beurtelings afgetast met een snelheid van 76 kHz. Wanneer de elektrode in kwestie droog is, dan blijft de meetspanning ongewijzigd. Bevindt de elektrode zich onder water, dan is er sprake van een extra belasting voor spanningsdeler R3/R4 en daalt de meetspanning tot een iets lagere waarde.
Met behulp van een simpele demodulator (Dl/C1/R5) wordt het verloop van de meetwisselspanning herleid tot een soort omhullende die vervolgens wordt toegevoerd aan komparator IC2. Vanuit tellerloscillator IC4 worden niet alleen de meetelektroden geselecteerd, maar tevens (via IC3) de acht indicatie-LED's ge-multiplext.
Pen 12 van IC3 wordt hierbij "misbruikt" als enable-ingang en zijn niveau beslist of de desbetreffende LED al dan niet oplicht.
Het zou in principe ook mogelijk zijn geweest om de (geïnverteerde)uitgang van komparator IC2 rechtstreeks aan pen 12 te leggen, maar dan treedt
er een klein schoonheidsfoutje op. Als gevolg van de tijdkonstante C1/R5 wordt namelijk de meerwaarde van elke elektrode vastgehouden tot iets na
het volgende omschakelpunt van de multiplexer. Dit heeft tot effect dat de eerste LED zwakjes oplicht terwijl hij eigenlijk gedoofd had moeten
blijven. De toevoeging van IC6a en IC6d voorkomt dat.
De twee resterende poorten van IC6 zijn gebruikt om een duidelijke "leeg"-indicatie te creëren, die ervoor zorgt dat LED D11 gaat knipperen als geen
van de elektroden zich in het water bevindt. Als dat laatste het geval is, heeft C7 alle tijd om zich via R9 op te laden en wordt pen 4 van IC6b dus
hoog.
Met behulp van jumper JP1 kan vervolgens gekozen worden of D11 nu continu gaat oplichten of dat deze knippert in het ritme van uitgang Q13 (pen
3) van IC4 (ca. 4,7 Hz). Zodra zich echter ook maar één elektrode in het water bevindt, dan zal C7 via D2 periodiek ontladen worden en kan zich
over de condensator onvoldoende spanning opbouwen om de indicatie in werking te stellen.
Afb. 2: Het printplaat-ontwerp. Links componentenzijde, rechts soldeerzijde.
Behalve de componenten moeten ook een zestal draadbruggen worden geplaatst. Dit moet vooral niet worden vergeten.
Onderdelenlijst:
Weerstanden:
R1 = 1 x 5k6De afregeling is simpel. Hiervoor volstaat het om de elektroden tot een bepaalde hoogte in bijvoorbeeld een glas water te dompelen en het referentieniveau van de komparator met P1 zodanig in te stellen dat de grens tussen de natte en droge elektroden duidelijk wordt aangegeven door het LED-display.
Tenslotte:
Voor de meetelektroden kunnen 9 stukjes blanke draad van oplopende lengte worden gebruikt. De massa-elektrode hoort even lang te zijn als elektrode nr. 1 en mag zich bovendien op niet te grote afstand van de andere elektroden bevinden.
Hiervoor kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van een stuk bandkabel, waarvan de aders op verschillende lengten worden afgeknipt en de uiteinden over een lengte van ca. 3 mm van hun isolatie ontdaan.
Van de massa-elektrode moet de isolatie uiteraard compleet worden verwijderd.
De voeding kan gebeuren met een spanning tussen 8 en 15 V.